Credo

Het onbehagen zat er al tijdje.
Ik voelde het bij elke sollicitatiebrief die ik schreef. Ik voelde het bij elk boek dat ik geacht werd keihard te promoten. Ik voelde het toen de superlieve kleuterjuf mijn zoon van drie op het einde van het schooljaar ‘werkblaadjes’ meegaf voor in de vakantie met begrippen die peuters als ze naar de eerste kleuterklas gingen ‘moesten kennen’.
Ik weet het aan de nasleep van een diep dal waar ik een paar jaar geleden doorheen ging, een afdaling waarvan ik misschien nog altijd niet helemaal hersteld was. Ik weet het aan ouder worden. Ik weet het aan overgevoeligheid, introvertie, luidheid, gebrek aan veerkracht en initiatief. Aan mijzelf, kortom.

Ik las Identiteit van psychoanalyticus Paul Verhaeghe in een paar dagen uit, en ik wenste dat hij niet zoveel gelijk had. Ik werd somber van wat hij schreef. Somber van de omvang van het probleem, vooral. Maar met mijn somberheid groeide mijn verzet. Nu begrijp ik het, dacht ik. Dat onbehagen. En het ligt niét aan mij.
Verhaeghe heeft iets gedaan wat erg moeilijk is: twee stappen opzij gezet en onze maatschappij, onze levenshouding en onze normen en waarden van op een afstand bekeken. En hij houdt ons een keiharde spiegel voor.
We zijn onder het mom van ontplooiing en vrijheid een wereld geworden waar alleen efficiëntie, winst en succes nog tellen. Waar iedereen de top moet halen, en wie dat niet kan een groot probleem heeft. Waar iedereen geacht wordt zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn ontwikkeling en succes, maar niemand nog zeggingschap heeft over hoever hij daarin wil gaan. Waar de economie en haar reclame ons wijsmaken dat de mens gemaakt is om bandeloos te genieten, en de sociale controle ons aan de zijlijn zet als we daar niet met volle overgave in kunnen of willen meegaan. Waar alleen de cijfers nog tellen, en we zijn gaan geloven dat alleen datgene wat in cijfers valt uit te drukken een correcte weergave is van de werkelijkheid.

Bepaalde passages die ik bij Verhaeghe las, kwamen mij heel bekend voor uit mijn dagelijkse praktijk als leerkracht. Ik heb die job jarenlang heel graag gedaan, tot ik het gevoel kreeg dat ik gevangen zat tussen de eisen van schoolmanagement enerzijds (niet gehinderd door enige kennis van de klaspraktijk en haar problemen), en het totaal gebrek aan goede wil van de leerlingen anderzijds (niet gehinderd door enige begrip voor de leerkracht als begeleider en vakexpert). Beide waren ze het product van de veranderde normen en waarden zoals Verhaeghe ze beschrijft: de school als systeem controleerde, evalueerde en wilde een positief resultaat en stelde haar werknemers daarvoor verantwoordelijk; de jongeren waren opgegroeid met een wereldbeeld dat hen vertelt dat ergens twee minuten voor stilzitten en moeite doen indruist tegen hun recht om onmiddellijk bevredigd te worden in hun hoogst individuele behoeften, en stelde diezelfde werknemer verantwoordelijk voor het feit dat dat niet kon.
Karikaturaal? Ja, in de zin dat het niet overal even heftig is en zeker niet in elke school op beide fronten tegelijk fout loopt. En nee, omdat de algemene tendens in mindere of meerdere mate overal voelbaar is, en de problemen toenemen.
Het onderwijs is maar één voorbeeld. Verhaeghe schetst een onthutsend beeld van de gezondheidszorg die draait om financiële efficiëntie ten koste van menselijke zorg en universitaire opleidingen die draaien om ‘output’ in prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften en marktgestuurde onderzoeken ten koste van ethiek en kennis in de diepte. Wat niet financieel opbrengt, vliegt eruit. En op alle vlakken brengt dit een daling van de kwaliteit met zich mee. Een betere dienstverlening, een menselijker zorg, een grondiger scholing zijn niet winstgevend. Zo eenvoudig is het geworden. 

Dit is het, dacht ik toen ik het boek dichtklapte. Ik doe niet meer mee. Ik stap eruit.

Fijne gedachte, denkt u misschien. Maar wat wil dat concreet zeggen?
Het wil bijvoorbeeld zeggen dat ik mijn zoon niet ga sturen in zijn studiekeuze op basis van zijn intellectuele capaciteiten. Hij hoeft geen universitair diploma te halen en ‘het’ te maken. Ik zal hem wel steunen om zijn eigen innerlijke motivatie te ontwikkelen, zodat hij gelooft in wat hij graag doet en in de ontplooiing van zijn talenten gedreven wordt door iets anders dan alleen maar externe evaluaties of honger naar geld en ‘de beste zijn’.
Het wil bijvoorbeeld zeggen dat ik niet tegen mijn eigen aanvoelen in als een gek mijn boeken ga beginnen promoten om toch maar opgemerkt te worden op een markt die nu al verzadigd is van schreeuwers en verleiders.
Het wil bijvoorbeeld zeggen dat ik heel vaak ‘nee’ ga zeggen. Tegen dingen die indruisen tegen mijn buikgevoel. Als het ongezond voor mij is, wil ik er niet in meegaan. Wat de maatschappij ook zegt. Dat betekent dat ik mijn verwachtingen en mijn eisen bijstel. Een voltijdse job combineren met een huwelijk, vier hobby’s, een stel kinderen, een drukgevulde sociale agenda, twee dikke auto’s voor de deur en vier keer per jaar op reis naar een verre bestemming: laat maar. Zoiets vraagt twee levens. Of drie. Het allemaal in die 24 uur per dag proberen te stampen, lukt vast een tijdje. Tot de crash komt. En die komt er. Onvermijdelijk. Dus maak ik keuzes.
Het wil bijvoorbeeld zeggen dat ik niemand hoger of lager probeer in te schatten dan mijzelf op basis van diploma, afkomst, geslacht of wat dan ook. We hebben elkaar allemaal nodig. Om te kunnen groeien, en mens te zijn in de mooiste betekenis van het woord. De juiste persoon op de juiste plaats, met de juiste talenten voor het juiste werk, en een wederzijdse oprechte appreciatie voor elkaar.

Dat is vanaf nu mijn credo.

 

Kirstin Vanlierde

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


six × = 48