Engel

Wat een leuk zoontje hebben jullie. Helemaal zijn papa, nee, zijn mama… Nou ja, een mooie kruising dus. En hoe heet hij? Hoe?
Sobran.
Wat een mooie naam. Dat heb ik nog nooit gehoord. Waar komt die vandaan?
Uit een boek. (Verwachtte je van een schrijver een ander antwoord?)

The Vintner’s Luck van Elizabeth Knox is het enige boek dat ik ooit heb uitgelezen en dichtgeklapt, dat ik dan weer open heb gedaan en waarin ik gewoon opnieuw begonnen ben. Ik wilde het verhaal niet verlaten, ik wilde die wereld en die personages nog wat bijhouden, opnieuw proeven. Nota bene: dat was niet de eerste keer dat ik het boek las. Ik geloof dat het de vijfde (of de zesde) keer was, met de zesde (of de zevende) er dus naadloos achteraan.
Het geluk van de wijnboer, zoals het in vertaling heet (maar ik raad iedereen die het Engels voldoende machtig is aan om het origineel te lezen, om de schoonheid en gelaagdheid van Knox’ poëtische taal), is een verhaal dat zich afspeelt in het Napoleontische Frankrijk. Hoofdpersonage is de jonge, koppige zoon van een kleine wijnboer: Sobran Jodeau. Hij is dronken en strompelt de heuvel met wijngaarden op om de eerste verloren liefde van zijn leven te bewenen. Hij bereikt de top maar verliest zijn evenwicht, valt en wordt opgevangen – door een engel. Ze spreken af elkaar een keer per jaar, telkens op diezelfde nacht, te ontmoeten. Het is het begin van een vriendschap, en een liefde, die een leven lang zal duren.

Soms struikel je over een boek. Ik had mijn studies Germaanse achter de rug en ik twijfelde aan alles. Mijn aspiraties als beginnend schrijver – wat valt er in ’s hemelsnaam nog te schrijven als je juist vier jaar het kruim van de wereldliteratuur te lezen hebt gekregen? Mijn plezier in lezen – de wereldliteratuur was vaak zo zwáár. Ik was moe, en ik was het moe. Ik gaf les en had werk genoeg.
Vreselijk om te zeggen achteraf, maar net zo vreselijk om het mee te maken: het eerste jaar nadat ik mijn diploma licentiaat Germaanse haalde, heb ik niet gelezen en niet geschreven. Voor wie niet kan inschatten wat dat betekent: vergelijk het met een jaar geen seks. Of geen lekker eten. Of geen zonneschijn. Het ging niet. Alles zat vast, alles zat in de knoop. En toen kwam The Vintner’s Luck.
Ik was verliefd op dat boek, van in het begin. Ik heb in de Fnac van Gent, die toen kon bogen op een uitstekende selectie Engelse literatuur, iets gedaan wat ik normaal gezien nooit doe: ik heb de laatste bladzijde bekeken.

Als een boek mij aantrekt in de winkel (op basis van de auteur of de cover, dat is logisch), dan doe ik twee dingen. Eén: ik lees de achterflap. Twee: ik sla het boek open op een willekeurige bladzijde (nooit het begin), en ik laat mijn ogen dwalen over de pagina. Ik lees niet echt, ik vang halve zinnen in die vluchtige blik, ik vang een klank, een gevoel. Twee of drie lijnen zijn meestal genoeg om mij te vertellen of in dit boek een stem huist die ik wil horen, een verhaal dat ik wil lezen. Als ik twijfel, laat ik de bladzijden wapperen als een waaier en herhaal het proces met een ander fragment. Ik vergis me zelden in mijn oordeel. Daarmee bedoel ik: ik vergis me zelden in de inschatting of het boek dat ik vastheb iets voor mij is. Ik ben dus ook perfect in staat om boeken van gelauwerde auteurs naast mij neer te leggen omdat hun stem of hun verhaal op dat moment in mijn leven even helemaal niet mijn ding is, zonder dat ik daardoor afbreuk wil doen aan de kwaliteit van het boek in kwestie.
Maar bij The Vintner’s Luck was er iets wat maakte dat ik naar die laatste pagina bladerde. Ik las wat daar stond. En ik was verloren.
Het boek van Elizabeth Knox was het boek dat mij opnieuw leerde lezen, en opnieuw leerde genieten van literatuur, na vier jaar wetenschappelijke studie van de letteren. Het haalde alles naar boven wat ik tijdens mijn verblijf in Academia had verbannen naar de achtergrond: het mysterieuze, het magisch-realistische, het emotionele. The Vintner’s Luck is een magistraal literair werk, maar het is ook een doorvoeld verhaal, een liefdesverklaring aan taal en personages. De schrijver en de lezer die ik vandaag ben, hebben alles te danken aan dit boek.

In romans vind je de meest originele namen, of namen met een geschiedenis en een betekenis. Toen wij in verwachting waren van ons kind, waren mijn man en ik het heel snel eens. Hij leverde spontaan de meisjesnaam die we allebei mooi vonden, en ik de jongensnaam. Er zijn nooit andere suggesties gekomen, het was meteen raak. Toen bleek dat het een jongen zou worden, waren we het er nog altijd over eens. Mijn man kende het boek ook (de eerste verplichte lectuur die ik hem ooit in handen stopte – als hij mij wilde begrijpen, moest hij mijn lievelingsboeken begrijpen) en hij was even gewonnen voor de naam als ik.
Nomen est omen. Mensen noemden hun zoon in de Germaanse tijd Bern-hard omdat ze hoopten dat hij zo sterk zou worden als een beer. Wens ik mijn zoon een eigenwijs leven toe, ambitieus en tegendraads, gevuld met liefde en vriendschap voor mannen en vrouwen gelijk, en een poort naar God die geen andere sterveling kent?
Wel ja, waarom niet? Mijn Sobran is niet de wijnbouwer Sobran Jodeau. Maar er zijn slechtere figuren om naar genoemd te worden. Ik wens mijn zoon elke engel die zijn pad kruist, en elke droom om na te jagen.
Ik zie hoe hij groeit, en geniet, en zijn weg vindt in het leven, helemaal zichzelf (en niet zelden tegendraads) en ik ben trots op hem. Hij wordt even sterk als de naam die hij draagt.
Het hoeft niet, maar ik hoop dat hij het boek ooit leest, en er evenveel van houdt als wij. Omdat hij dan misschien begrijpt welk geschenk we hem wilden geven met zijn naam.
Hij is, nu amper drieënhalf en een meter hoog, alvast begonnen met boeken verslinden. Bumba en Nijntje is hij al lang voorbij, het zijn sprookjes, prentenboeken en lange verhalen die zijn papa en ik uren aan een stuk zitten voor te lezen. Hij reciteert hele stukken verhaal of film tijdens zijn fantasiespelletjes.

‘Robin! De hutsepot!’ (met falset en veel intonatie). ‘Dat zegt Kleine Jan tegen Robin Hood, mama.’
‘Ja, jongen. Want Robin laat de hutsepot aanbranden, hé?’
‘Ja!’ (schaterlach).
Mijn zoon en verhalen, dat zit voorlopig wel goed.

You fainted and I caught you. It was the first time I’d supported a human. You had such heavy bones. I put myself between you and gravity.
Impossible.

 

Kirstin Vanlierde

(afbeelding (c) Vintage 2000)

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden.


× 5 = fifteen